HIJ.
Hij kan — want Hij is machtig ; Hij wii — want Hij is goed ; Hij zal — wijl Hij getrouw is ; en alles wat Hij doet is louter liefde, krachtig, onmetelijk en zoet; is louter goê genade, want wij zijn niet met al; des doods zelfs zijn wij schuldig door onzen diepen val; doch Hij vermag te redden, — ...
Allerlei.
Leer mij!
Leer mij stil zijn, stille, stille ! Leer mij bidden : „Heer, Uw wille zij de mijne te allen tijd !" Leer mij blij zijn, blijde, blijde, al benauwen doodlijk mij de angsten der verlatenheid !
Leer mij danken, Heer. ja danken, of ook doornen mij omranken, di ...
Christus
Hij is gekomen tot het Zijne, en 't Zijne heeft Hem niet gekend ; Hij is gekomen om te zoeken, — 't gezochte heeft zich afgewend. Hij is gekomen om te redden, 't verloorne wees Hem smdad'lijk af ; en wat Hij met Zijn bloed wou koopen, verried, - verloochende Hem laf. En toch, o smadelijk ...